Varia

 

In deze bijdragen staat centraal de opvatting dat het recht gevonden wordt vanuit het verbintenissenrecht:
het vaststellen van de verbintenis levert immers op de titel die de mutatie in het goederenrecht (de goederenrechtelijke rechtsverhouding) rechtvaardigt.

Omgekeerd:
wie poogt verbintenissen vanuit het goederenrecht te definiëren,
miskent het primaat van de aan de overeenkomst ten grondslag liggende menselijke relatie, waarvan het verbintenissenrecht in rechte de weerslag vormt.
Goederenrechtelijk insteken is dan ook onjuist, want het goederenrecht is per definitie dienstbaar aan de menselijke verhoudingen en dus aan het verbintenissenrecht.

Het probleem speelt met name bij de huwelijksovereenkomst, waar men stelselmatig maar onjuist,
de de echtelieden verplichtende verbintenissen genereert vanuit het goederenrecht (de gemeenschap van goederen of juist het uitgesloten zijn daarvan).

Een mooi voorbeeld is het Pensioenarrest.
In dat arrest formuleert de Hoge Raad nota bene zelf het verbintenisrechtelijk substraat, om uiteindelijk toch te kiezen voor de goederenrechtelijke invalshoek (de gemeenschap van goederen).

Het resultaat van deze onjuiste rechtsvinding:
aan degene die niet in gemeenschap van goederen is gehuwd wordt op grond van deze fundering in het goederenrecht ontzegd de aanspraak op het staande huwelijk gezamenlijk opgebouwd  pensioen,
ook al moet — zo zegt de Hoge Raad het zelf —
het opbouwen van pensioen in beginsel worden gezien als
het (verbintenisrechtelijk) resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten voortvloeiende uit de zorg die zij krachtens art. 1:81 BW aan elkaar verschuldigd zijn.

In de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding heeft de wetgever ten onrechte verzuimd deze fout te redresseren.
Van de werking van de wet is immers uitgesloten de periode vanaf 27 november 1981 tot de datum waarop de wet in werking is getreden. Daarmee is aan het Pensioenarrest eerbiedigende werking toegekend.